Laatst reed ik van Nijmegen terug naar huis en stond ik weer eens in een langzaamrijdende stoet auto’s voor knooppunt Bankhoef te wachten om de A50 op te draaien. Hoewel het sowieso een onduidelijk stuk snelweg is waarbij de rijbaan twee keer verandert van twee naar één rijstrook gebeurde er nog iets opmerkelijks. Zodra de invoegstrook begint wil iedereen zo snel mogelijk, het liefst nog over de doorgetrokken streep invoegen. Dat het verkeer daarachter helemaal vastloopt maakt niet uit, ‘we zitten in ieder geval op de goede strook’. Op veel plekken, en zo ook bij dit knooppunt, staat tegenwoordig een bord met de tekst: ‘gehele invoegstrook gebruiken’. Hoe komt het dat mensen dit bord compleet negeren en het eerste het beste gat induiken? En waarom is het doorrijden tot het eind van de invoegstrook eigenlijk beter? In dit blog ga ik hier dieper op in.

Nederlandse wachtcultuur

Een van de redenen dat we zo snel mogelijk willen invoegen is dat wij Nederlanders veel waarde hechten aan dat iedereen netjes op zijn of haar beurt wacht. Dit wordt ons al bijgebracht vanaf de peuterschool. Zodra iemand voorkruipt wordt diegene al snel op zijn plek gezet en als asociaal bestempeld. Zo ook in het verkeer. Mensen vinden het asociaal als een andere bestuurder tot het einde van de invoegstrook doorrijdt en daar nog snel even invoegt. Hoewel het merendeel wel weet dat het voor de doorstroming beter is om langer op de invoegstrook te blijven rijden, ‘voelt’ het toch verkeerd om anderen rechts in te halen. Dit gaat zelfs zover dat sommige automobilisten voor eigen rechter spelen. Zij gaan opzettelijk halverwege twee rijstroken rijden om de ‘voordringers’ te straffen die zich niet aan deze gedragsregel houden. Zij willen zo de bestuurders dwarszitten die tot het laatst blijven doorrijden op de eindigende rijstrook.

Automobilisten kijken naar elkaars rijgedrag. Als iedereen zo snel mogelijk invoegt, dan is dat kennelijk gepast gedrag en zijn mensen eerder geneigd mee te doen. Dit fenomeen staat binnen de sociale psychologie ook wel bekend als de ‘descriptieve norm’. De descriptieve norm is op te maken uit het gedrag van de mensen om je heen (Cialdini et al. 1990).

Hoe eerder hoe beter

Veel mensen vinden het rijden in grote verkeersdrukte vervelend. Het in- en uitvoegen op een snelweg kan dan voor extra spanning zorgen. Je moet ogen voor en achter hebben en daarnaast opletten dat je die auto in je dode hoek niet de berm in bonjourt. Daarnaast weten bestuurders niet altijd hoe lang een invoegstrook is en schatten hem korter in dan die feitelijk is. Als er dan een gat ontstaat op de snellere rijstrook wurmen we ons daar graag zo snel mogelijk tussen. Je zal maar die domoor zijn die aan het eind van de invoegstrook stilstaat en er nooit meer tussenkomt. Angst om er niet tussen te komen of de afrit te missen is van grote invloed op het in- en uitvoegend verkeer. Dus hoe eerder je op de gewenste rijstrook rijdt, hoe beter voor ons gevoel.

In- en uitvoegen, hoe doe je dat?

Nu weten we waarom invoegen tijdens drukte vaak fout gaat. Maar hoe moet het dan wel? Als wij bij drukte vanuit een langzaam rijdende of stilstaande strook invoegen op een strook die sneller gaat, doe je dat nooit met diezelfde snelheid. Het gevolg is dat de auto’s achter jou moeten afremmen en er staat op de snelle strook een gat tussen jou en je voorganger. De snelle strook die eerst nog lekker doorreed wordt ineens vertraagd en de kans op een file wordt groter. Hoe voorkom je dit? Door volledig gebruik te maken van de invoegstrook kun je je snelheid zoveel mogelijk aanpassen aan de snellere strook doordat je meer tijd hebt om op snelheid te komen. Tegen de tijd dat het einde van de invoegstrook in beeld komt rijd je de juiste snelheid en voeg je gemakkelijk in zonder andere automobilisten te hinderen.

Wat is de oplossing?

Hoe zorgen we er voor dat wij gaan invoegen zoals het hoort, dat we weer even terugdenken aan hoe we het geleerd hebben tijdens de rijles? Mensen handelen vaak op basis van injunctieve normen (Cialdini et al. 1990). Dit houdt in dat mensen gedrag vertonen waarvan zij denken dat anderen het goedkeuren en gedrag vermijden dat door anderen wordt afgekeurd. In de strijd tegen het fileleed doet de overheid steeds vaker pogingen om het gedrag van automobilisten te beïnvloeden. Aan het begin van de invoegstrook staat regelmatig een bord met daarop de tekst: ‘Gehele invoegstrook gebruiken’. Deze boodschap zorgt voor een activatie van de injunctieve norm, hoe de weggebruikers de invoegstrook namelijk moeten gebruiken. Maar is deze activatie genoeg? Want nog steeds zien we hoe andere weggebruikers dit compleet negeren en over de doorgetrokken streep invoegen. Enkel benoemen hoe het hoort lijkt in deze situatie niet voldoende. Zo zou het nuttig kunnen zijn meer aandacht te vestigen op bijvoorbeeld dit groepsgedrag. Maar waarschijnlijk zijn hier nog veel meer opties mogelijk. Wat zien jullie als kansen en mogelijkheden om dit op te lossen?